Rechtbank Zeeland-West Brabant: bij uitvallen van een vliegtuig tijdens een voorafgaande vlucht is het recht op compensatie afhankelijk van de omvang van de vloot van de betreffende airline.
6 juli 2013
Bij beschikking van 20 juni 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant de indruk gewekt dat, bij uitvallen van een vliegtuig tijdens een voorafgaande vlucht, het recht op compensatie afhankelijk is van de omvang van de vloot van de betreffende airline.
De rechtbank overweegt achtereenvolgens dat het reservevliegtuig niet inzetbaar was, dat Ryanair ‘een grote vliegmaatschappij is met honderden vliegtuigen’ en dat niet in te zien valt waarom de passagiers meer dan tien uur hebben moeten wachten op een oplossing. De overwegingen van de rechtbank komen erop neer dat, hoe groter de vloot van de airline, hoe meer reservetoestellen die airline achter de hand moet houden om zich succesvol te kunnen beroepen op overmacht.
De redenering van de rechtbank is merkwaardig, want dit zou betekenen dat een kleine airline zich sneller kan beroepen op overmacht dan een grote airline. Dit zou voorts betekenen dat er onderscheid bestaat tussen de rechten van reizigers die met een grote airline vliegen en reizigers die met een kleine airline vliegen.
De rechtbank maakt de klassieke fout door de ‘redelijke maatregelen’ (artikel 5, lid 3, van Verordening 261/2004) te koppelen aan de vertraging i.p.v. aan de ‘buitengewone omstandigheid’ (b.o.). Zodoende heeft zij voor zichzelf de ruimte gecreëerd om een subjectief criterium (de omvang van de vloot van Ryanair) te hanteren.
De rechtbank had m.i. objectief moeten vaststellen of de b.o. op dezelfde dag had plaats gevonden (vgl punt 15 van de considerans van 261/2004 en Lassooy) en, zo nee, daaruit de non-discriminatoire conclusie moeten trekken dat, ongeacht de omvang van de vloot van de betreffende airline, de airline voldoende tijd had om een ander vliegtuig te charteren, en dat ook had moeten doen, en er dus geen sprake was van een (relevante) b.o.
Reisrecht