Nadert de ILT-saga zijn ontknoping?
1 juni 2012
Vandaag is een doorbraak bereikt in de jarenlange pogingen van ReisRecht om de ILT te bewegen tot effectieve handhaving ter eerbiediging van passagiersrechten.
Tijdens een hoorzitting in het kader van een bezwaarschriftenprocedure stond de vraag centraal of de ILT, alvorens een handhavingsverzoek in behandeling te nemen, van de gedupeerde reiziger mag eisen dat hij aantoont dat hij reeds een klacht bij de vliegmaatschappij heeft ingediend. De jurist van de ILT wees daarbij op het vorderingsrecht van Verordening 261/2004 waarop een claim is gebaseerd. De reiziger dient eerst bij de vliegmaatschappij te ‘vorderen’ alvorens zich te wenden tot de ILT, aldus de medewerker. De gedachte hierachter is dat de ILT niet als een incassobureau wenst te worden gebruikt. In reactie daarop heeft ReisRecht aan de ILT uiteen gezet dat Verordening 261/2004 geen vorderingsrecht voor de reiziger in het leven roept, maar een betalingsverplichting voor de vliegmaatschappij. Dit is een cruciaal verschil. Een (vorderings)recht kan immers niet door een vliegmaatschappij worden overtreden en een (betalings)verplichting wel. En alleen overtredingen kunnen middels een handhavingsverzoek, strekkende tot oplegging van een last onder bestuursdwang, worden hersteld.
De onjuiste veronderstelling van de ILT verklaart waarom de ILT de afgelopen jaren ten onrechte gedupeerde reizigers steevast naar de civiele rechter verwees, in plaats van dat het er zelf voor zorgde dat vliegmaatschappijen hun overtredingen herstelden.
Zodra de beslissing op bezwaar bekend wordt gemaakt zal daarvan op deze website verslag worden gedaan. Dan zal tevens duidelijk worden of de ILT van de kwestie heeft geleerd.